090.
Bijbelstudie over
HET BLOED - HADAM
,dh
In ty>arb
B’reshit [Genesis] 9:3
werd na de zondvloed door haShem aan Noach en
zijn familie de toestemming gegeven om óók dierlijk voedsel te mogen nuttigen: ”Behalve het groen van de planten mogen jullie
nu ook het vlees van dieren eten. Alle dieren geef ik je als voedsel.” (GNB). Maar in vers 4 staat
vervolgens: “Alleen vlees met zijn ziel,
zijn bloed, zult gij niet eten.” (NBG). De mens hoefde dus geen vegetariër
meer te zijn, want hij mocht voortaan vlees eten, maar dan wel zonder bloed
erin, want het eten van bloed, ook van geoorloofde dieren, blijft verboden.
Bloed is namelijk onmisbaar voor het leven. Het Hebreeuwse woord >pn Nefesh wordt
in de NBG-vertaling weliswaar als 'ziel' vertaald, maar betekent ook 'leven'.
In de nieuwe liberale Tanach staat daarom ook correct: “Maar vlees waarin nog leven is, waar nog
bloed in zit, mag je niet eten.” Het woord >pn Nefesh heeft dus meerdere betekenissen:
ziel, leven, schepsel, persoon en wezen. Als er in sommige vertalingen gezegd
wordt, dat de ziel in het bloed is, dan moeten we het bloed op de eerste plaats
als de drager van het leven zien, want bloed wordt in Israel al sinds lang
vervlogen tijden als drager van de levenskracht gezien en dat komt bijzonder
duidelijk naar voren in de vertaling van vers 4 in de Groot Nieuws Bijbel: “Alleen mag je geen vlees eten waar nog
bloed in zit, want het bloed bevat de levenskracht.” - Deze levenskracht
behoort niemand anders dan G’d toe: Hij is het die haar geeft en die haar neemt.
Een mens mag zich niet de levenskracht van een ander wezen toe-eigenen. In dat
licht is dus begrijpelijk, waarom de Eeuwige voorschreef, dat men geen bloed
van dieren mag eten, want nogmaals: al het leven behoort aan G’d toe en geen
mens heeft het recht om het leven van welk schepsel dan ook te nemen. Daarom
staat er vervolgens ook in vers 5 en 6: “En
Ik zal genoegdoening eisen wanneer jullie eigen bloed, waarin je levenskracht
schuilt, wordt vergoten; Ik eis daarvoor genoegdoening van mens en dier. Van
iedereen die zijn medemens doodt, eis Ik genoegdoening. Wie bloed van mensen
vergiet, diens bloed wordt door mensen vergoten, want G’d heeft de mens als
Zijn evenbeeld gemaakt.” (NBV). Na de zondvloed
heeft de Eeuwige het weliswaar toegestaan, dat de mens vlees mocht eten en daarvoor
dus het leven van dieren moest nemen. Maar als teken daarvan, dat hij feitelijk
niet het recht had om dat leven te nemen, moest hij het bloed over de aarde uitgieten
om op deze wijze symbolisch het leven terug te geven aan Hem, aan wie de aarde
met alles wat daarop is, toebehoort, want er staat geschreven: “Wanneer een Israëliet of een
vreemdeling die bij jullie woont bloed eet, zal ik mij tegen hem keren en hem
uit de gemeenschap stoten. Want het bloed is de levenskracht van een levend
wezen. Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te
voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerken. Daarom heb
ik tegen de Israëlieten gezegd: ‘Niemand van jullie mag bloed eten, ook de
vreemdelingen die bij jullie wonen niet.’ En als een Israëliet of een
vreemdeling die bij jullie woont wilde dieren of vogels jaagt die gegeten mogen
worden, moet hij het bloed laten weglopen en het met droge aarde bedekken, want
het bloed is de levenskracht van elk levend wezen. Daarom heb ik tegen de
Israëlieten gezegd: ‘Vlees met bloed erin mag je niet eten, want het bloed is
de levenskracht van elk levend wezen, en ieder die ervan eet zal worden
uitgestoten.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus]
17:10-14, NBV). Alvorens
het vlees van dieren te kunnen eten moet men het bloed hieruit dus goed laten
weglekken zodat men met het vlees geen bloed consumeert, want ook in Pasuq 7 van het zelfde Toragedeelte heeft de Eeuwige nadrukkelijk tegen Moshe [Mozes] gezegd: “Nooit mag een Israëliet, waar hij ook
woont, vlees eten waar het bloed nog in zit; dit betreft alle dieren, vogels
zowel als landdieren. Iedereen die het eet, moet uit de gemeenschap worden
gestoten.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 7:26-27, GNB). Zoogdieren en vogels moeten daarom
voor de Joodse keuken volgens een speciale procedure die huyx> shechita
genoemd wordt, door de uxv> shochet [ritueel
slachter] geslacht worden, namelijk door pijnloos in één snelle ononderbroken
beweging luchtpijp, slokdarm en halsslagaders tegelijk door te snijden. Het mes
dat hij daarvoor gebruikt, Chalaf genaamd, is vlijmscherp,
braamvrij en glad. Het dier raakt direct buiten bewustzijn omdat de
bloedtoevoer naar de hersenen automatisch gestopt wordt en het meeste bloed
stroomt vrijwel onmiddellijk naar buiten. Hierdoor en door de snelheid van het
snijden is kosher slachten één van de meest pijnloze
methoden. De Tora schrijft dus een diervriendelijke slachtmethode voor,
waarbij het bloed van het dier weer in de aarde terugvloeit: “Wanneer de Eeuwige jullie een ruim gebied
heeft gegeven zoals Hij heeft beloofd, kan het gebeuren dat je ver van de
heilige plaats woont die Hij heeft uitgekozen. Krijg je nu trek in vlees,
slacht dan gerust een van de koeien of schapen die Hij je heeft gegeven. Eet in
je eigen woonplaats zoveel vlees als je wilt, maar wel zoals ik heb
voorgeschreven. Eet het zoals je gazellen- en hertenvlees eet; het doet er niet
toe of je rein of onrein bent. Alleen mag je geen vlees eten waar het bloed nog
in zit. Houd daaraan vast! Want in het bloed zit de levenskracht, en vlees met
het leven er nog in mag je niet eten. Giet het bloed als water uit op de grond.
Nogmaals, eet geen vlees waar het bloed nog in zit! Jullie en je kinderen
zullen er wel bij varen; je doet immers wat de Eeuwige bevalt.” (,yrbd Devarim [Deuteronomium] 12:20-25, Groot Nieuws Bijbel).
Alvorens het dier te slachten zegt de Shochet, die
door het rabbinaat aangesteld is, de volgende B’racha
[zegenspreuk]: “Gezegend zijt Gij,
Eeuwige onze G’d, Koning van het heelal, die ons geheiligd heeft met Zijn
geboden en ons bevolen heeft de shechita [rituele slachting] uit te voeren.” Deze
Bijbelse slachtmethode zorgt ervoor dat de dieren op de snelste en minst
pijnlijke manier sterven. Na het slachten worden gauw maatregelen getroffen om
de rest van het bloed te verwijderen, want uiterlijk binnen 72 uur na het
slachten moet al het bloed volledig afgevloeid zijn. Aderen waar nog bloed aan
zit moeten worden verwijderd. Volgens de Kashrut moet
het vlees binnen 72 uur worden gezouten om te voorkomen dat het bloed gaat
stollen, en moeilijk of niet meer te verwijderen is. Daarom moet het vlees voor
het gegeten mag worden, enige tijd in water en in zout geweekt worden om het
bloed er zoveel mogelijk uit te laten trekken. Allereerst moet het vlees minimaal
een halfuur in lauwwarm water weken en daarna aan alle kanten bestrooid worden
met grof zout. Dit moet ongeveer een uur intrekken, zodat het laatste beetje
bloed eruit kan lopen. Is al het bloed eruit, dan moet al het zout er nog drie
keer met koud water worden afgespoeld. Een andere manier om het bloed aan het
vlees te ontrekken, is het vlees te grillen. Dat is vooral voor lever van
toepassing, want het bloed kan in dat geval namelijk alleen maar worden
verwijderd door grillen of braden omdat zich in de lever doorgaans ook na het
zouten nog een deel van het bloed bevindt. Daarom moet de lever eerst
zorgvuldig gewassen worden om het bloed van de buitenkant en zoveel mogelijk
ook van binnen te verwijderen. Daarna wordt het licht gezouten en op een open
vuur gegrild of geroosterd, zodat hierdoor al het bloed eruit kan druipen. Zo
zien de Joden er nog steeds sinds duizenden jaren nauwlettend op toe dat de
voorschriften van de Eeuwige met betrekking tot het bloed van de slachtdieren
stipt worden nageleefd.
Bloedtransfusie
Sommigen, waaronder het WTG
(Wachttorengenootschap) zijn echter van mening dat daarmee niet enkel
bedoeld zou zijn dat men geen bloed mag eten, maar dat men ook geen bloed mag doneren,
zelfs niet om daar levens mee te redden. Het WTG verbiedt haar volgelingen daarom
ook om bloedtransfusies te nemen. Dit is echter niet altijd zo geweest. Pas in 1945 werden door het
hoofdbestuur van de beweging bloedtransfusies officieel verboden en meer dan
een halve eeuw is dit standpunt met grote strengheid gehandhaafd en door de
meeste leden van de beweging geaccepteerd en nageleefd. Als gevolg daarvan weigerden
zij niet alleen voor zich zelf de door artsen noodzakelijk geachte medische
behandeling te ondergaan, maar verboden de behandelende artsen ook voor hun
zieke kinderen levensreddende maatregelen door o.a. bloedtransfusie te nemen.
Pas medio 2000 trad een lichte verzachting van het verbod in nadat er door
sommigen binnen die kring sinds 1997 krachtig tegen het taboe op bloedtransfusies
werd geprotesteerd. En terecht, want bloedtransfusie
komt in de Bijbel helemaal niet voor. Het WTG beroept zich voor haar
verbod op bloeddonatie daarom ook op diverse teksten in de Bijbel waarin met
name het eten van bloed verboden wordt. Maar het eten van bloed is niet
hetzelfde als bloedtransfusie, en o.a. in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:10-14 staat toch echt wel het woord lxa achal
[eten], ook in hun eigen Nieuwe Wereldvertaling: “Wat enige man betreft van het huis van Israël of een inwonende vreemdeling,
die in uw midden vertoeft, die enig soort van bloed eet, tegen de ziel die het bloed eet, zal Ik stellig Mijn aangezicht keren en Ik zal hem inderdaad uit
het midden van zijn volk afsnijden. Want de ziel van het vlees is in het bloed
en Ik zelf heb het ten behoeve van u op het altaar gegeven om verzoening te
doen voor uw ziel, want het is het bloed dat verzoening doet door de ziel die
erin is. Daarom heb Ik tot de zonen van Israël gezegd: Geen ziel van u dient bloed
te eten en geen inwonende
vreemdeling, die in uw midden vertoeft, dient bloed te eten. Wat enige man betreft van de zonen van Israël of een
inwonende vreemdeling, die in uw midden vertoeft, die tijdens het jagen een
wild dier of een stuk gevogelte vangt, dat gegeten mag worden, die moet in dat
geval het bloed daarvan uitgieten en dat met stof bedekken. Want de ziel van elke
soort van vlees is zijn bloed door de ziel die erin is. Dientengevolge heb Ik
tot de zonen van Israël gezegd: Gij moogt het bloed van geen enkele soort van
vlees eten, want de ziel van elke
soort van vlees is zijn bloed. Een ieder die het eet, zal worden afgesneden.” In die ene zin wordt tot zes keer
aan toe het woord "eten" gebruikt in verband met het bloed. Van een
bloedtransfusie is hier geen sprake, en dat kan ook niet omdat dat toen
helemaal nog niet aan de orde was. Het verbod op het eten (laat staan drinken)
van bloed heeft te maken met het feit dat het bloed niet voor onze consumptie
bedoelt is, maar voor het leven en onze verzoening met de Eeuwige! Om deze
reden is het Oude Verbond gebaseerd op het bloed van offerdieren en het Nieuwe
Verbond op het bloed van Yeshua!
Dat komt ook bijzonder duidelijk tot uitdrukking bij de Qidush van de derde beker wijn tijdens de Sederviering met Pesach alsook bij de ]vdah tdvic S’udat haAdon [de
maaltijd des Heren, ofwel het Heilig Avondmaal]: De
rode wijn is enerzijds een herinnering aan het bloed van het Pesachlam, dat gestreken
moest worden aan de deurposten, opdat de engel des doods aan de huizen van de
Israëlieten zou voorbijgaan, maar tevens is de wijn uit deze derde beker ook het
teken van het bloed dat Yeshua, het Lam van G’d, moest vergieten om volgens het
voorschrift uit arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:11 een waardig offer te zijn: “Want de
ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om
verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door
middel van de ziel.” Daarom moet het ook beslist wijn zijn en geen druivensap,
want de alcohol in de rode wijn symboliseert de ziel. Pure alcohol is spiritus, en
spiritus is de Latijnse naam voor geest, en geest staat ook synoniem voor ziel
omdat deze twee onzichtbare delen van een persoon los van het lichaam in
het Joodse denken waarin de Bijbel geschreven is een onlosmakelijke éénheid vormen. Bloed is de zetel
van de ziel. Druivensap bezit geen alcohol en mist daarom het meest essentiële
onderdeel van het bloed van Yeshua: de ziel van
Zijn vlees die in het bloed is, want het bloed bewerkt verzoening door middel
van de ziel! En juist om de verzoening door Zijn bloed gaat het bij het
Avondmaal. Zo is dus de rode wijn in de derde beker
het teken van het verzoenende bloed van Yeshua: “En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf
hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn Verbond,
dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 26:27-28).
Piqu’ach Nefesh
Zonder bloed is het leven
onmogelijk! Bloed heeft daarom ook niet alleen de functie om leven te geven,
maar ook om leven te behouden en wat dat laatste betreft voldoet
bloedtransfusie volledig aan deze eis. Binnen het Jodendom is bloedtransfusie
derhalve niet alleen toegestaan, maar het is zelfs een Mitz'va, een religieuze plicht! In het Joodse denken
acht men de bloedtransfusie namelijk niet in strijd met Tora. Het is een grote Mitz'va om bloed te geven ten behoeve van zijn
medemens. Elke Jood (eigenlijk ieder mens) heeft de plicht om mensenlevens te
redden als hij daar toe in staat is. Het geven alsook het ontvangen van bloed
is op geen enkele wijze te vergelijken met het eten van bloed, maar het is
middel om je naaste in leven te houden en zelfs te genezen. Wij hebben de
heilige opdracht om levens te redden. Dat noemen wij in het Hebreeuws: >pn xvqyp Piqu’ach
Nefesh. Letterlijk vertaald is dit: "het redden van de ziel",
en de ziel woont in het bloed. De mens heeft daarom bloed nodig om zijn ziel en
zijn lichaam bij elkaar te houden. Als iemand doodbloedt, dan gaat zijn ziel
het lichaam verlaten en zonder ziel gaat hij dood. De Piqu’ach Nefesh is één van de belangrijkste principes
in de Joodse wet, zo belangrijk zelfs, dat bijna alle andere wetten en geboden
hiervoor tijdelijk komen te vervallen als men daarmee een mensenleven kan
redden. Zo mogen zelfs op de heilige Shabat de ambulances in Israël rijden om zieken of gewonden
te vervoeren. Daarom is de bloedtransfusie zelfs ook bij de orthodoxe Joden een
Mitz'va, waar
iedereen zich aan houdt, en dat lijkt mij ook logisch, want bijna nergens is
bloedtransfusie zo actueel en urgent als in Israël, waar de ene bloedige
aanslag na de andere wordt gepleegd. Ik heb enkele Engelstalige
orthodoxe Joodse websites opgezocht, waar aan de rabbijnen de vraag werd
gesteld of bloedtransfusie is toegestaan en het antwoord van deze rabbijnen zal
voor u na het lezen van het voorgaande dus geen verrassing meer zijn. Hier
volgen enkele citaten:
Daniel
wrote: “Dear Rabbi, I know that it is strictly
forbidden to drink or eat blood, but is it permitted to replace by transfusion
preciously lost blood in the event of an accident?” - Answer Rabbi Reuven
Lauffer: “Dear
Daniel,
It is definitely permitted to replace lost blood by transfusion; and this does
not fall under the prohibition of eating blood. The Tora commands us
(Deuteronomy
(http://www.ohr.edu/ask/ask265.htm#Q3).
Question:
“Is there a Halachic problem
with donating blood? Is it different if you are donating to Jewish or non Jewish
organisations?” - Answer Rabbi Elchanan Lewis:
“It is a Mitz’va and an act of piety. (Tzitz
Eliezer 16, 23). It’s a bigger Mitz’va
for Jews.”
(http://www.yeshiva.org.il/ask/eng/default.aspx?srch=1&q=blood).
Question:
“Is blood
transfusion permissible in Jewish belief?” - Answer Rochel
Chein, member
of the Ask the Rabbi team: “There is nothing in
Jewish law that would preclude a person from benefiting from a blood
transfusion (or donating blood, for that matter). Furthermore, according to
Jewish belief, saving a life is one of the most important Mitz’vot (commandments),
overriding nearly all of the others. Therefore, if a blood transfusion is
deemed medically necessary, then it is not only permissible but obligatory.” - Reader
Comment: “I am happy to have this question answered by both Rabbi Menachem
Posner and
by your article. When I was young and in Melbourne, Australia, I worked for the
Red Cross Blood Transfusion Service for about 4 years. There was a substantial
Jewish population in
Naar
aanleiding hiervan wil ik er nadrukkelijk op wijzen dat het in vergelijking met
de visie van het WTG op zijn zachtst gezegd opmerkelijk is dat juist de orthodoxe
Joden, die immers de allerkleinste geboden uit de Tora tot in de details onderzoeken en soms tot het extreme aan toe in
praktijk brengen, het verbod op het eten van bloed nooit en te nimmer hebben
doorgetrokken naar bloedtransfusies, wat het WTG dus wel doet. Maar als er
iemand is die zich nauwkeurig aan de Bijbelse voorschriften houdt, dan is het
wel de orthodoxe Jood! Daar staat hij immers om bekend! Laten wij dus blij zijn
dat de rabbijnen dit anders zien dan de "getuigen", want als de
bloedtransfusie in Israël, waar de Bijbel vandaan komt, verboden was, dan waren
er nu haast geen Israëli's meer over na zovele oorlogen en aanslagen...
Zich onthouden van
bloed
Het WTG
baseert haar leerstellingen met betrekking tot bloeddonatie voornamelijk op tvlipm Mif’alot [Handelingen] 15:20,
15:29 en 21:25, allemaal teksten waarin volgens hen niet expliciet geschreven
wordt van "bloed eten als voedsel" maar algemeen als "onthouden van",
en daarom grijpen zij in het bijzonder deze teksten aan om bloedtransfusie te
verbieden. Maar ook het zich onthouden van bloed in Handelingen 15:20, 15:29 en
21:25 is volledig in overeenstemming met de voorschriften uit de Tora, die onder de voedselwetten vallen! Laten wij daarom even goed kijken
wat daar precies staat, om te beginnen met Handelingen 15:20, eerst in de Nieuwe
Wereld Vertaling van het WTG, daarna in de NBG-vertaling en ten slotte woordvoorwoord
in het Grieks. In
het Aposteldecreet werd besloten om de gelovigen uit de volken te
schrijven…
NWV: “...zich te onthouden van dingen die door
afgoden zijn bezoedeld en van hoererij en van het verstikte en van bloed.”
NBG: “...dat zij zich hebben te onthouden van wat
door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed.”
Grieks: “…tou apecesqai apo twn
alisghmatwn twn eidwlwn kai thV
porneiaV kai tou
pniktou kai tou aimatoV ...tou ap-echesthai apo ton alisgematon ton
eidolon kai tes porneias kai tou pniktou kai tou haimatos.”
Letterlijk:
“...om zich te onthouden van de
bezoedelingen van de afgoden en de hoererij en het verstikte en het bloed.”
Hier
wordt dus inderdaad het woord onthouden gebruikt voor zowel het bloed alsook de
andere dingen, maar in de zin van: niet meedoen! Wat wordt hiermee bedoeld?
Heel eenvoudig! Wij moeten ons ervan bewust zijn dat het hier niet om Joden gaat,
want die houden zich immers al aan de Tora, maar om de gelovigen
uit de volken! Om hun Joodse broeders en zusters in de Gemeente (die toen nog
Joods was!!!) geen aanstoot te geven, en om te laten zien dat zij niet meer
meedoen aan de heidense gebruiken, dienen de gelovigen uit de volken (dus de
christenen) om te beginnen een viertal gedragsregels in acht te nemen die de sociale omgang tussen
Joden en niet-joden mogelijk maken. Deze voorschriften stonden al bijeen in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17 en 18. Het ging hier om enkele
minimumeisen waaraan niet-joden alvast moesten voldoen om tot de
Messiasbelijdende Joodse gemeente te worden toegelaten. De rest van de Tora zouden ze volgens vers 21 later vanzelf wel leren omdat
zij in haast elke stad al sinds mensenheugenis wordt verkondigd en op iedere Shabat in de synagogen wordt
voorgelezen. Met het zich onthouden van
afgoderij in de ruimste zin van het woord en van hoererij wordt zichtbaar
gemaakt dat men afstand heeft genomen van het heidendom waaruit men is
voortgekomen en dat men dus de heidense rituelen afzweert. Het Griekse woord porneia porneia geeft eigenlijk al duidelijk aan wat met
"hoererij" bedoeld is, en dat werd (en wordt!) bij de heidenen vaak als
vrij normaal gezien. Vandaar het gebod voor bekeerde heidenen om daarmee op te
houden! Het zich onthouden van het verstikte en van bloed sluit naadloos aan
bij de voor Joden uiterst belangrijke voedselwetten, de Kashrut, want het verstikte heeft namelijk betrekking op het eten
van vlees van dieren die door verstikking gedood zijn en waarvan het bloed daardoor
nog niet is afgevloeid. Het gaat dus ook hier bij het eten van het verstikte om
het eten van bloed. Vandaar dat onmiddellijk daarna het zich onthouden van
bloed volgt. Het hier genoemde "zich onthouden van bloed" is zoals gezegd
gebaseerd op ty>arb B’reshit [Genesis] 9:4, arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 3:17
en 17:10-14, alsook ,yrbd Devarim [Deuteronomium] 12:20-25, waarin overduidelijk staat wat daarmee bedoeld wordt: men
moet zich onthouden van het eten van
bloed. Daarmee wordt bedoeld, dat men alvorens het vlees van dieren te eten,
het bloed hieruit goed moet laten weglekken, zodat men met het vlees geen bloed
consumeert. En bloedworst is vanzelfsprekend helemaal uit den boze! In de
nieuwe vertaling van de liberale Tanach
staat in vers 20 daarom ook nadrukkelijk dat de heidenen “…zich dienen te
onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees
waar nog bloed in zit en van het bloed zelf” en ook in de vertaling van de Groot Nieuws Bijbel lezen wij dat de
gelovigen uit de volken “…zich te
onthouden hebben van wat onrein maakt: van alles wat afgoden gewijd is, van
verboden huwelijken, van vlees waaruit het bloed niet is weggelopen, en van
bloed zelf.” - Het
Aposteldecreet heeft dus niets met bloedtransfusie te maken, want zoals u ziet gaat het dus ook in deze tekst echt om eten en niets
anders! Even duidelijk komt dit tot uitdrukking in de herhaling van deze vier
genoemde punten iets verderop in Handelingen 15:29. Laten wij ook deze tekst
nauwkeurig bestuderen:
NWV: “...u te onthouden van dingen die aan afgoden
ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van wat verstikt is en van
hoererij.”
NBG: “...onthouding van hetgeen de afgoden
geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij.”
Grieks: “...apecesqai eidwloqutwn kai
aimatoV kai
pniktou kai porneiaV
...ap-echesthai
eidolothuton kai haimatos kai pniktou kai porneias.”
Letterlijk:
"...zich onthouden van het aan
afgoden geofferde en bloed en het verstikte en hoererij.”
Ook met dit vers is de liberale Tanach in de nieuwe vertaling een stuk duidelijker dan de beide eerstgenoemde vertalingen: “…onthoud u van offervlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, van bloed, van vlees waar nog bloed in zit, en van ontucht” evenals de Groot Nieuws Bijbel: “…onthoud u van voedsel dat aan afgoden geofferd is, van bloed, van vlees waaruit het bloed niet is weggelopen en van verboden huwelijken.” De in vers 20 van hetzelfde hoofdstuk genoemde punten worden hier in vers 29 opnieuw genoemd, maar deze keer in een andere volgorde en nog iets gedetailleerder. Het alisghmatwn twn eidwlwn alisgematon ton eidolon [wat door de afgoden bezoedeld is] wordt hier vervangen door het meer specifieke eidwloqutwn eidolothuton [het aan de afgoden geofferde], waardoor drie belangrijke voedselvoorschriften nu bij elkaar geplaatst zijn (offervlees, bloed en het verstikte). Dus ook hier geen sprake van een ander verbod op bloed dan het eten ervan. Dezelfde strekking zien wij ook enkele hoofdstukken verderop in Handelingen 21:25. Laten wij dus ook deze tekst nog eens bekijken:
NWV: “...dat zij zich dienen te wachten voor
datgene wat aan de afgoden ten slachtoffer is gebracht, en ook voor bloed en
voor wat verstikt is en voor hoererij.”
NBG: “...dat zij zich hebben te wachten voor wat
de afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor hoererij.”
Grieks:
“...fulassesqai autouV to
te eidwloquton kai to aima kai pnikton kai porneian
...phulassesthai autos to te eidolothuton kai
to heima kai pnikton kai porneian.”
Letterlijk:
"...zich wachten voor zij het en aan
een afgod geofferde en het bloed en het verstikte en de hoererij."
Ook in
deze tekst zijn de drie voedselvoorschriften bij elkaar geplaatst waaruit
blijkt dat bloed hier als voedsel wordt beschouwd evenals de offerdieren die opgedragen
zijn aan afgoden en de verstikte dieren, wat opnieuw sterk benadrukt wordt in
de nieuwe liberale Tanach: “…dat ze zich in
acht moeten nemen voor vlees dat bij de afgodendienst is gebruikt, voor bloed,
voor vlees waar nog bloed in zit, en voor ontucht” en in de Groot Nieuws
Bijbel: “…dat ze zich moeten onthouden
van voedsel dat aan afgoden geofferd is, van bloed, van vlees waarin nog bloed
zit en van verboden huwelijken”. Zowel Handelingen 15:20 en 29 alsook 21:25
kan daarom op geen enkele wijze in verband worden gebracht met bloedtransfusie,
want het is nogal duidelijk,
dat het bloed bij een bloedtransfusie helemaal niet gegeten wordt. Je hoeft
geen wetenschapper te zijn om te weten wat 'bloed eten' betekent, namelijk: het
bloed door de mond tot zich nemen, en niet het bloed kunstmatig door een infuus
of injectie in de bloedbaan tot zich nemen. Het getuigt toch wel van een erg
grote creativiteit van het WTG om het verbod op het eten van bloed van
toepassing te achten op bloeddonaties en bloedtransfusies omdat men het
inbrengen of opnemen van bloed door een infuus simpelweg op geen enkele wijze
als eten kan beschouwen. Bovendien heeft het verbod op het eten van bloed op de
eerste plaats slechts betrekking op het bloed van dieren, want als men het bloed
van mensen zou consumeren dan zou men zich schuldig maken aan kannibalisme, en
dat is sowieso een gruwel in G’ds ogen. Het besluit van de apostel Ya’aqov [Jacobus] in de geciteerde
Bijbelteksten dat ook de Goyim
[niet-joden] zich moeten onthouden van bloed heeft dus geen betrekking op
mensenbloed in kunststoffen zakjes of buisjes, maar op het eten van
vlees waar nog bloed in zit, en uiteraard van bloed zelf. De eerste christenen
hebben dit blijkbaar heel goed begrepen, want wij weten uit verscheidene tweede-eeuwse christelijke bronnen,
dat het verbod op het eten van bloed toen ook door de niet-joodse gelovigen nog
stipt in acht werd genomen. Zo schreef Tertullianus: “Wij christenen beschouwen zelfs het bloed van dieren niet als
geoorloofd eten” (Apologeticum 9:13). Elders staat er geschreven:
“Wij (de christenen) kennen onder onze spijzen zelfs niet het bloed van eetbare
dieren” (Minucius
Felix 30:6) en: “Christenen
mogen zelfs het bloed van beesten niet eten” (Martelaren van Lyon bij Eusebius, Kerkgeschiedenis V 1:26).
De ziel is in het
bloed
Op
grond van bovengenoemde teksten kunnen wij concluderen dat de christenen zich
in de tweede eeuw nog keurig aan de Bijbelse voedselwetten hielden, wat binnen
het hedendaagse christendom helaas niet meer het geval is, op enkele
uitzonderingen na. In tegenstelling tot de Joden en Messiasbelijdende gelovigen
alsook de leden van het WTG houden christenen zich tegenwoordig doorgaans
nauwelijks bezig met het verbod op bloed omdat zij de voedselwetten als
oudtestamentisch en dus als afgeschaft beschouwen. Zij hebben daarom ook geen
enkele moeite met het eten van o.a. bloedworst. Zelfs de Bijbelse reden die
door de Eeuwige zelf genoemd wordt voor het verbod op het eten van bloed, namelijk
dat de ziel van het dier zich in het bloed bevindt, staat tegenwoordig ter
discussie. Mede door toedoen van onzorgvuldige of foutieve vertalingen gaat men
er in christelijke kringen namelijk van uit dat het verschil tussen dier en mens
juist het ontbreken van de ziel bij het dier zou zijn. Het Jodendom echter
gelooft er stellig in, dat ook de dieren wel degelijk een ziel hebben! Het
bewijs daarvoor vinden we in de Hebreeuwse Bijbel, waarin het woord >pn Nefesh ook in verband met dieren als ziel wordt gebruikt. Zowel
de NBV en de NBG-vertaling alsook praktisch alle andere vertalingen gebruiken
hiervoor liever benamingen als ‘wezens’ en dergelijke. Ze vermijden opvallend
het woord ‘ziel’ als het om dieren gaat. Een aangename uitzondering is echter
de Statenvertaling, die wèl consequent >pn Nefesh met ‘ziel’ vertaalt. Enkele voorbeelden hiervoor zijn:
ynp9li /rah9li
[pviy [viv hyx >pn
/r> ,ymh vjr>y ,yhla rmayv
t>mrh hyxh >pn9lk tav ,yldgh ,nynth9ta ,yhla arbyv
.,ym>h iyqr
.bvu9yk ,yhla aryv vhnyml [nk [vi9lk tav ,hnyml ,ymh vjr> r>a
“En
G’d zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege
boven de aarde, in het uitspansel des hemels! En G’d schiep de grote walvissen,
en alle levende wemelende ziel,
welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle
gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En G’d zag, dat het goed was.” (ty>arb B’reshit [Genesis] 1:20-21). Hetzelfde zien we in vers 24:
.]k9yhyv hnyml /ra9vtyxv >mrv hmhb hnyml hyx >pn /rah
ajvt ,yhla rmayv
“En G’d zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild
gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.”
Het beste bewijs voor de stelling dat ook dieren een ziel
hebben, vinden we uiteraard in arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 17:10-14 omdat het verbod om bloed te eten
juist daarop berust: “Want de ziel
van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om
verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening
door middel van de ziel. Daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Niemand van u
zal bloed eten. Ook de vreemdeling, die in uw midden vertoeft, zal geen bloed
eten. En ieder van de Israëlieten en van de vreemdelingen, die in uw midden
vertoeven, die een stuk wild of gevogelte jaagt, dat gegeten mag worden, zal
het bloed daarvan uitgieten en dat bedekken met aarde. Want, wat de ziel van alle vlees betreft, het
bloed ervan is zijn ziel; daarom heb Ik tot de Israëlieten gezegd: Gij zult van
generlei vlees bloed eten, want de ziel
van alle vlees is het bloed: ieder die het eet, zal uitgeroeid worden.”
(NBG-vertaling). Omdat elk dier dus een ziel heeft, wordt er voor het ritueel
slachten het dier om vergeving gevraagd. Voor een westerling is dit iets om
over na te denken... Juist
op grond van deze Bijbelteksten die zeggen dat "de ziel in het bloed is" wijst het WTG bloedtransfusie
af. Men legt dit dan zo uit, dat het bloed de drager van de persoonlijkheid is,
dus je identiteit, en dat het dan bij de bloedtransfusie zou gaan om een
vermenging van identiteiten. Als het bloed de drager van de persoonlijkheid zou
zijn, dan zou iemand die bloed geeft of verliest, dientengevolge iets van zijn
identiteit, zijn persoonlijkheid kwijt raken, maar andersom zou degene die via
transfusie bloed krijgt logischerwijs een andere persoonlijkheid krijgen. Dat
slaat natuurlijk nergens op, want hoe zit het dan met iemand die bloedworst eet
of vlees waar het bloed er nog in zit? Ontvangt die dan de 'persoonlijkheid'
van een dier? Gaat hij dan op een varken lijken of op een kip? Vertoont hij
opeens dierlijk gedrag? Gaat hij loeien als een koe of mekkeren als een geit?
Volgens mij niet, en volgens de rabbijnen ook niet! Een vraag met een
soortgelijke strekking kwam ik namelijk onlangs op een Joodse website tegen,
die een verontruste lezer aan de rabbijn stelde. “Question:
When a person receives a blood transfusion that means he as a Jew mixes his
blood with other Muslim or Christian blood. Is he still a pure Jew, or is he a
’mixture’. Does it really matter in Judaism? - Answer Rabbi
Jonathan Blass: A person is Jewish if his/her mother is
Jewish or if he/she has converted to Judaism according to halacha.
Blood or blood transfusions have nothing to do with it.”
(http://www.yeshiva.org.il/ask/eng/default.aspx?srch=1&q=blood).
Zoals ik reeds bij het begin van
deze bijbelstudie heb uitgelegd moeten we het Hebreeuwse woord >pn Nefesh met betrekking op de ziel in het bloed in het vlees
van de dieren die voor ons als voedsel zijn toegestaan slechts zien als drager
van de levenskracht en niet als drager van de persoonlijkheid en daarom heeft
het verbod op het eten van bloed alleen betrekking op het niet mogen nemen van
het leven van een medeschepsel, hetgeen met bloedtransfusie in het geheel niet
aan de orde is. De donor staat immers slechts een deel van zijn bloed af,
zonder dat zijn leven daardoor gevaar loopt, maar hij kan daar wel vele levens
mee redden, en dat is juist een van de belangrijkste Mitz’vot,
want ook Yeshua heeft Zijn bloed gegeven om het
leven, het eeuwig leven van ontelbare zielen te redden. Wij allen hebben immers
tegen G’d gezondigd en elk mens schiet tekort ten opzichte van Zijn maatstaven
(Romeinen 3:23) maar het loon van de zonde is de dood (Romeinen 6:23)! Berouw alleen is niet voldoende om
van onze zonden af te komen. Daar is meer voor nodig! Bloed! Niet ons eigen
bloed en ook niet het bloed van offerdieren, want “door die offeranden
werden de zonden slechts in gedachtenis gebracht, maar het is onmogelijk, dat
het bloed van stieren of bokken zonden zou wegnemen.” (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 10:3-4). Daarom zijn wij
krachtens Zijn wil eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam
van Yeshua
haMashiach. Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die
geheiligd worden. (,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 10:10
en 14). Daarvan heeft ook Yochanan getuigd toen hij van Yeshua gezegd heeft: “Zie, het Lam G’ds, dat de zonde der wereld
wegneemt!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 1:29)
en “indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben
wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Yeshua haMashiach, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde!” (a ]nxvy Yochanan [1 Johannes] 1:7). Amen!
Werner Stauder